Trauma

Veel kinderen en hun ouders maken op een bepaald punt in hun leven heftige dingen mee. Denk aan een auto ongeluk, het verlies van een dierbare, een scheiding, of een vorm van geweld. De meeste ouders en kinderen verwerken de herinneringen aan deze dingen zelfstandig en/of met hulp van hun directe naasten. Er is tijd nodig om te verwerken wat er gebeurd is.

 

Als het verwerken van de herinnering aan een dergelijke gebeurtenis echter niet goed lukt, blijven er klachten bestaan die het dagelijks leven in de weg zitten. Er wordt dan gesproken van een trauma: een emotionele beschadiging die ontstaat na het meemaken van een heftige gebeurtenis. Deze beschadiging ontstaat voornamelijk doordat het verwerkingsproces van de heftige gebeurtenis niet volledig is geweest, wat zorgt voor klachten. Dit wordt ook wel post traumatische stress (PTSS) genoemd.

Kinderen kunnen op heel verschillende manieren reageren op traumatische gebeurtenissen. Peuters en kleuters worden bijvoorbeeld prikkelbaar, krijgen slaapproblemen en/of lichamelijke ziekteverschijnselen, zoals diarree. Naast angstig en teruggetrokken gedrag en verlatingsangst kan er ook sprake zijn van terugval in kinderlijk gedrag (bijvoorbeeld weer in bed plassen of op de duim zuigen) of van woede-uitbarstingen.

 

Lagere schoolkinderen kunnen nachtmerries krijgen of de gebeurtenis steeds weer opnieuw beleven. Sommige kinderen trekken zich helemaal terug in een eigen wereld, anderen worden juist agressief. Ook kunnen kinderen moeite krijgen op school door bijvoorbeeld concentratieproblemen.

 

Jongeren kunnen of erg meegaand en teruggetrokken worden of juist erg agressief en opstandig. Dit kan leiden tot conflicten met ouders en problemen op school. Enkele jongeren kunnen vluchten in middelenmisbruik. Vaak wordt dit als een 'gedragsprobleem' bestempeld, terwijl er in veel gevallen sprake is van trauma. Bij gedragsproblemen bij kinderen is het belangrijk om eerst altijd te onderzoeken of er angsten of trauma’s ‘achter’ het gedrag zitten.

Maar...


Hoe een trauma zich manifesteert is voor iedereen anders. Dit hangt onder andere af van:


  • De frequentie van de gebeurtenis: is het iets eenmaligs geweest of heeft het jarenlang plaatsgevonden?
  • De aard van de gebeurtenis: er is een wezenlijk verschil tussen trauma veroorzaakt door iets wat je is overkomen (dit noemen we shock-trauma) en trauma veroorzaakt door iets wat je tekortgekomen bent.
  • Wie betrokken zijn bij het trauma en de mate van steun die je hebt ontvangen: trauma veroorzaakt door directe familieleden of mensen die je vertrouwt, heeft vaak een grotere impact op je zelfbeeld en je vertrouwen in de wereld om je heen. Is er echter veel sociale steun na een nare gebeurtenis, dan kan het zijn dat iemand geen PTSS klachten ontwikkelt.
  • De mate van gehechtheid: hoe veiliger de gehechtheidsstijl en hoe stabieler de hechtingsrelatie tussen het (getraumatiseerde) kind en zijn/haar ouders, hoe meer veerkracht er is. Hoe onveiliger een kind gehecht is, hoe meer een kind geneigd is tot dissociatie.
  • Levensfase: jonge kinderen beschikken nog niet over taal en verwerken alle traumatische ervaringen via het zenuwstelsel en het lichaam. Een kind dat ouder is en iets meemaakt kan hier een actieve herinnering (met taal) van maken en verwerkt een traumatische ervaring mogelijk meer cognitief.


Bij de behandeling van trauma wordt zorgvuldig gekeken op welke manier het zich manifesteert en wordt een plan op maat gemaakt. Dit maakt dat traumabehandeling altijd afgestemd wordt op de persoon. Sommige kinderen maken een eenmalig shocktrauma mee (wat we als enkelvoudig trauma bestempelen), dit is vaak vrij snel te verwerken met behulp van bijvoorbeeld EMDR.


Wanneer een kind een complexer beeld laat zien en wanneer er meerdere zaken door elkaar lopen (we spreken dan van complex trauma of complexe PTSS), worden naast EMDR ook andere therapievormen ingezet, zoals ReAttach therapie, lichaamsgerichte therapie en opstellingen. Vaak worden ouders ook betrokken bij complexe trauma’s en indien nodig eveneens behandeld.


Daarnaast wordt naast de traumatherapie altijd gewerkt aan het versterken van het zelfvertrouwen, zelfbeeld en het vertrouwen in de omgeving. Bij jongeren wordt, in samenwerking met school, specifiek aandacht besteed aan het houden van grip op leren.